Muskieten, Geiten & Meer
Groene meerkatten op Sint Maarten
De soort werd geïntroduceerd op diverse Caribische eilanden, waaronder Saint Kitts, Nevis, Barbados, Tortola en, jawel, Sint Maarten[1]. Op Sint Maarten worden deze apen sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw officieel geregistreerd, al vertellen oudere bewoners dat ze in de jaren vijftig als huisdier werden gehouden. Mogelijk zijn ze zelfs eeuwen geleden meegekomen met zeelieden aan boord van schepen die betrokken waren bij de trans-Atlantische slavenhandel en de koloniale plantage-economie.
Voortplanting
In hun natuurlijke habitat planten ze zich seizoensgebonden voort: ze krijgen alleen jongen wanneer er een overvloed aan fruit is, wat meestal samenvalt met het regenseizoen. Wanneer deze apen echter terechtkomen in vruchtbaardere gebieden, zoals Sint Maarten – waar het hele jaar door volop voedsel te vinden is – verandert hun voortplantingsgedrag. In plaats van een beperkt voortplantingsseizoen kunnen ze zich nu het hele jaar door voortplanten, wat de recente bevolkingsexplosie op het eiland verklaart.
Dankzij de gemakkelijke toegang tot voedselbronnen en het ontbreken van natuurlijke vijanden hebben deze apen zich razendsnel kunnen voortplanten. Ze vormen inmiddels een bedreiging voor de volksgezondheid en veroorzaken de nodige overlast.
Onderzoek
In 2020 werd een onderzoek uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de populatie groene meerkatten op het eiland. Ook werd gekeken naar de bredere impact, de beleving onder de bevolking en de financiële middelen die nodig zijn om deze problematiek aan te pakken. Uit dit onderzoek bleek dat er alleen al aan de Nederlandse kant van het eiland ten minste 450 apen leefden. In 2022 werd het onderzoek herhaald en werden in hetzelfde gebied bijna 2.000 apen geteld. Zowel in 2020 als in 2022 gaf 93% van de ondervraagde inwoners van Sint Maarten aan dat er maatregelen genomen moeten worden om de apenpopulaties te beheersen. Als er niet wordt ingegrepen, zou Sint Maarten in dezelfde situatie terecht kunnen komen als het naburige Saint Kitts, waar in 2020 bijna 38.000 apen werden geteld. Hoewel ze populair zijn bij toeristen, richten de apen op Saint Kitts grote schade aan in de lokale landbouw[2]. Geen wonder dat ze daar intussen afgeschoten worden (en het vlees verkocht als hondenvoer).
Problemen
Kleinere eilanden, zoals Sint Maarten, kennen in het algemeen zeer kwetsbare ecosystemen en een explosieve groei van één enkele exoot kan de unieke lokale biodiversiteit dan ook snel bedreigen.
Op Sint Maarten wordt in toenemende mate geklaagd dat de apen territoriaal gedrag zijn gaan vertonen en steeds agressiever worden tegenover bewoners en hun huisdieren. Ook zijn de eilandbewoners bang voor de mogelijke ziekteverwekkers die de apen bij zich kunnen dragen zonder dat ze zelf symptomen vertonen[3].
Er moet dus snel en effectief worden opgetreden. Maar dit is het Caraïbisch gebied en dat betekent afwachten. Er zal 'een plan worden ontwikkeld om de apenpopulatie in de toekomst effectief te beheren. Het project heeft een looptijd van drie jaar en omvat diverse beheertechnieken om verdere bevolkingsgroei in te dammen'.
Mijn suggestie: schiet ze allemaal af, voordat het probleem onoplosbaar wordt. Stichting AAP was in 2023 al bij voorbaat woest over zo'n 'immoreel plan'.
[1] Dore: Vervets in the Caribbean in The International Encyclopedia of Primatology - 2016. Zie hier.
[2] Dore et al: Identity Construction and Symbolic Association in Farmer-Vervet Monkey (Chlorocebus aethiops sabaeus) Interconnections in St. Kitts in Folia Primatologica - 2018
[3] Richins et al: Genetic characterization of Strongyloides fuelleborni infecting free-roaming African vervets (Chlorocebus aethiops sabaeus) on the Caribbean island of St. Kitts in International Journal for Parasitology. Parasites and Wildlife - 2023. Zie hier.
Navassa, Guano en Geiten
Die hebberigheid had een reden en die reden was guano. Dat was vroeger een enorm belangrijke fosfaathoudende meststof. Door de opkomst van intensieve landbouw in de 19de eeuw ontstond in Europa en Noord-Amerika een enorme vraag naar meststoffen.
Guano ruikt sterk, zurig, scherp en dus vreselijk onaangenaam. Denk aan een combinatie van ammoniak, rotte vis en mest, mede afhankelijk van de bron. Winning van die guano was dus geen pretje en gebeurde onder mensonterende omstandigheden, vandaar dat eigenaren vaak hun toevlucht zochten tot Afrikaanse slaven of 'contractarbeiders' uit China.
![]() |
| [Guano mining op Navassa] |
De claim van Amerika
Maar de Verenigde Staten vonden dat ze recht op meer guano hadden en namen daarom in 1856 de Guano Islands Act aan, waardoor Amerikanen 'ongeclaimde' islands, rocks, or keys met guano mochten inpikken ('The islands can be located anywhere, so long as they are not occupied by citizens of another country and not within the jurisdiction of another government. It also empowers the president to use the military to protect such interests and establishes the criminal jurisdiction of the United States in these territories').
Nu wil het geval dat in 1856 twee Amerikanen, Peter Duncan en Edward Cooper, het eiland 'toevallig' betraden en daar geen sporen van bewoning aantroffen. Ze plantten derhalve de Stars and Stripes maar op het eiland. Duncan en Cooper meldden de Amerikaanse autoriteiten vervolgens (pas) in 1857 dat ze op het eiland grote hoeveelheden guano hadden ontdekt en dat ze het 'op vreedzame wijze voor de Verenigde Staten in bezit hadden genomen'. Ook heel toevallig precies de voorwaarden van de Guano Islands Act.
Maar was Navassa 'not within the jurisdiction of another government'? De claim van Haïti
In menige grondwet wordt het territorium van het land in kwestie gedefinieerd. In de Nederlandse grondwet is daarvan geen sprake, maar die van Haïti wél. Zowel in de oude grondwet als die van 1987 staat het duidelijk omschreven: 'Le territoire de la République d'Haïti comprend: a) La partie Occidentale de l'Ile d'Haïti ainsi que les Iles adjacentes: la Gonâve, La Tortue, l'Ile à Vache, les Cayemittes, La Navase, La Grande Caye et les autres iles de la Mer Territoriale' ('Het grondgebied van de Republiek Haïti omvat a) het oostelijk deel van het eiland Haiti (bedoeld wordt Hispaniola), alsmede de aangrenzende eilanden la Gonâve, La Tortue, l'Ile à Vache, les Cayemittes, La Navase, La Grande Caye en de andere eilanden binnen de territoriale wateren').
Je ziet dat de grondwet van Haïti wel degelijk Navassa noemt. Daardoor valt het de facto 'onder de jurisdictie' van dat land. Nu en in 1856 ook al.
Nu
De Amerikanen menen echter dat ze meer recht hebben op het eiland dan de Haïtianen. Navassa werd een zogenaamd 'unincorporated territory of the United States'. Intussen is alle guano allang weggehaald en bleef het eiland leeg en kaal achter[1]. De Haïtiaanse overheid doet af en toe wat halfslachtige pogingen om het eigendom van Navassa terug te krijgen, maar de USA claimt dat het piepkleine eilandje van strategisch belang is. De door hen betaalde vuurtoren uit 1919 beschermde namelijk de scheepvaart. De Amerikaanse Coast Guard controleerde tweemaal per jaar of deze nog wel werkte. Intussen is de vuurtoren door diezelfde Coast Guard ontmanteld, omdat men meende dat deze 'no longer of any value' was. Dus zo belangrijk was Navassa toch ook weer niet. Het was (en is) gewoon modern imperialisme. Hebberigheid.
Er grazen wat verwilderde geiten die zich te goed moeten doen aan cactii en struiken.
[1] Boudewijn Büch: Leeg en kaal - 1995
Sint Eustatius en Katoen
Zoals overal in het Caribisch gebied draaide die landbouw volledig op de arbeid van slaven. Zij werkten op tientallen plantages, vaak onder mensonterende omstandigheden. Het eiland was wellicht klein, maar de plantage‑economie was verrassend groot.
In de achttiende eeuw transformerde Sint Eustatius tot een soort Caribische marktplaats waar werkelijk alles voorbijkwam. Schepen uit Europa, Noord‑Amerika en de rest van de regio deden het eiland aan alsof het een drijvende supermarkt avant la lettre was.
Katoen maakte deel uit van die stroom goederen. Niet alleen wat er lokaal werd verbouwd, maar ook balen uit omliggende eilanden. De vrijhavenstatus zorgde ervoor dat handelaren nauwelijks werden gehinderd door regels (en belastingen). Het moet een paradijs zijn geweest voor iedereen die graag veel geld verdiende zonder al te veel vragen te stellen.
![]() |
| [Lower Town: Ruïne van een magazijn aan zee] |
Terwijl op Sint Eustatius katoen werd geplukt onder de brandende Caribische zon, gebeurde er in Nederland iets dat op het eerste gezicht niets met het eiland te maken lijkt te hebben: Twente werd rijk. Heel rijk.
De textielfamilies in Enschede, Hengelo en Almelo bouwden villa’s die eruitzien alsof ze rechtstreeks uit een Engelse kostuumdrama, zoals 'Downton Abbey', zijn weggeknipt. Ze legden stadsparken aan, financierden kerken en zelfs de Enschedese synagoge. En dat geld kwam niet uit de lucht vallen.
Volgens onderzoek van Griselda Molemans, dreef de Twentse textielindustrie structureel op goedkope koloniale katoen[1][2]. Niet een beetje, maar fundamenteel. De katoen, die in fabrieken in Enschede werd verwerkt, was in veel gevallen dezelfde katoen als die in het Caribisch gebied onder dwang werd geoogst.
De katoenproductie op Sint Eustatius maakte deel uit van een Atlantisch systeem waarin Europese vraag, koloniale expansie en slavernij elkaar versterkten. Slaven produceerden de grondstoffen, Europese handelaren verscheepten ze, fabrieken in Nederland verwerkten ze tot textiel en dat werd weer geëxporteerd naar Nederlands-Indië (Het Nederlandse marktaandeel bedroeg bijna de helft van de totale import)[3].
In de negentiende eeuw begon het systeem te piepen en te kraken. De Amerikaanse Burgeroorlog gooide de katoenhandel overhoop, andere koloniale gebieden produceerden goedkoper, en in 1863 werd de slavernij afgeschaft.
![]() |
| [Geit op wacht bij Fort Oranje (Sint Eustatius)] |
Sint Eustatius verloor daardoor zijn economische betekenis. Plantages raakten in verval, handelaren vertrokken, en het eiland werd weer wat het geografisch altijd al was: klein, rustig en een ietwat vergeten.
De kapitale villa’s in Twente staan er nog steeds, keurig onderhouden. De geschiedenis achter de grondstoffen die ze mogelijk maakten, wordt pas de laatste jaren echt zichtbaar, mede dankzij onderzoek zoals dat van Griselda Molemans.
Het verhaal van katoen op Sint Eustatius is dus geen voetnoot, maar een hoofdstuk in een veel groter boek. Een boek dat vermoedelijk door Molemans op dit moment geschreven wordt.
[1] Molemans: Landgoederen, fabrikantenvilla’s, stadsparken, de Enschedese synagoge en het Twentse slavernijverleden in 1Twente. Zie hier.
[2] Molemans: Onderzoek Griselda Molemans: "Twentse textielfamilies waren verwikkeld met slavernij op katoenplantages" in OostNL. Zie hier.
[3] Van Valen: Textielconflict in Nederlands-Indië in Skript Historisch Tijdschrift - 2019. Zie hier.
Arubaanse bidsprinkhaan
![]() |
| [Arubaanse bidsprinkhaan | Foto: Mathijn Speelman] |
Leuk, zo zul je misschien opmerken, maar in 2025 werd een tweede soort bidsprinkhaan in het Koninkrijk der Nederlanden aangetroffen, al was dat 8,000 kilometer verderop, op het Caribische eiland Aruba. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het daarbij (waarschijnlijk) om een nog onbeschreven soort gaat.
Liggend voor de kust van Venezuela hebben Aruba, Bonaire en Curaçao een voor bidsprinkhanen ideaal klimaat. Er heerst een warm, droog tropisch steppeklimaat met een vrijwel constante temperatuur van gemiddeld rond de 30°C en een verkoelende passaatwind. Desondanks waren hier tot voor kort nooit eerder bidsprinkhanen waargenomen.
In februari 2025 verzamelden vrijwilligers op verschillende plekken in totaal vier exemplaren van een bidsprinkhaan. Bestudering van de verzamelde dieren wees uit dat het een nieuwe soort voor de wetenschap betrof. Kris Anderson, een Amerikaanse expert in Caribische bidsprinkhanen, heeft de soort beschreven en er de naam Brunneria xerophila opgeplakt[1].
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Brunneria, eert de Oostenrijkse entomoloog ('insectkundige') Karl Brunner von Wattenwyl (1823–1914), die zich, onder andere, bezighield met bidsprinkhanen. Het tweede deel, xerophila, is een nogal krom combinatiewoord: uit het Oudgrieks stamt xērós (ξηρός) 'droog' en dat wordt gekoppeld aan het Latijnse achtervoegsel -phila 'houden van'. Samen is dat dus 'houdend van droogte'. Deze nieuwe soort heeft de Nederlandse naam Arubaanse bidsprinkhaan gekregen.
Met zijn bijna zeven centimeter lengte is de Arubaanse bidsprinkhaan een van de grootste insecten van de Benedenwindse Eilanden. Bidsprinkhanen houden van warmte en de meeste soorten zijn dan ook te vinden in de tropen.
Momenteel zijn er slechts een paar waarnemingen van de Arubaanse bidsprinkhaan bekend. Toch vermoedt men dat de soort vrij wijdverbreid op het eiland voorkomt. Voor zover nu bekend komt de Arubaanse bidsprinkhaan alleen op Aruba voor, maar veldwerk in de aangrenzende delen van Venezuela is nodig om dit te bevestigen.
Het zou echter ook kunnen dat deze soort een al eerder beschreven soort is, die ook in Venezuela voorkomt, want de onderlinge verschillen zijn minimaal. Dan kun je denken aan de kleinvleugelige bidsprinkhaan (Brunneria subaptera), al meent Kris Anderson, de al genoemde expert, dat beide soorten toch voldoende van elkaar verschillen om een aparte soort te rechtvaardigen.
[1] Anderson: Two New Species of Brunneria Saussure, 1869 (Mantodea: Coptopterygidae) with Novel Diagnostic Characters and a Key to the Species in Soothsayer: Journal of Mantodea Research – 2026. Zie hier.
Bron (deels)
Bonaire, Ezels en Muskieten
In de koloniale tijd werd het hout van deze boom gebruikt om een rode tot roze kleurstof te produceren voor de textielindustrie. De vraag naar deze kleurstof was zo groot dat de bomen op grote schaal werden gekapt. Het gevolg laat zich raden: tegenwoordig staan er naar schatting nog maar ongeveer honderd exemplaren op Bonaire.
De Spanjaarden waren niet onder de indruk van het eiland. Er werd geen goud of edelstenen gevonden en het droge klimaat maakte landbouw lastig. Daarom hadden zij weinig zin om er een kolonie te stichten. In 1513 bestempelden zij Bonaire, samen met Aruba en Curaçao, als islas inútiles — 'nutteloze eilanden'.
De oorspronkelijke bewoners van het eiland, de Caquetío-indianen, werden grotendeels door de Spanjaarden weggevoerd naar het eiland Hispaniola om daar in de mijnen te werken. Pas vanaf 1526 keerde inheemse bewoners weer terug naar de eilanden, onder andere om te helpen bij de exploitatie en export van hout.
Spaanse schepen brachten vaak meer ratten en muizen dan mensen mee, waardoor het eiland al snel nieuwe zoogdieren kreeg. De Spanjaarden introduceerden ook voor het eerst vee op Bonaire. Daardoor leven tegenwoordig ezels (buriku in het Papiaments) en geiten (kabritu) in het wild op het eiland.
Vanaf 1527 gebruikten de Spanjaarden Bonaire als een soort voorraadkamer. Schapen, ezels, geiten, varkens, koeien, paarden, kippen en kalkoenen werden naar het eiland gebracht. Veel van deze dieren werden simpelweg losgelaten zodat ze zich in het wild konden voortplanten. Hoewel de Spanjaarden het eiland uiteindelijk verlieten, bleven veel van deze geïntroduceerde dieren bestaan en maakten ze blijvend deel uit van het ecosysteem.
Nederlandse periode
In 1636 veroverden de Nederlanders Bonaire. Het eiland kwam onder bestuur van de West-Indische Compagnie. Afrikaanse slaven werden naar het eiland gebracht en ingezet voor onder andere houtkap, maïsteelt en vooral de zoutwinning, die uiteindelijk een van de belangrijkste economische activiteiten van Bonaire werd. De ezels van Bonaire
Naast verwilderde geiten leven er op Bonaire ook grote aantallen verwilderde ezels. Oorspronkelijk werden deze dieren gebruikt als lastdieren. Ze transporteerden onder meer zout, hout en andere goederen over het eiland.
Ezels zijn van nature goed aangepast aan droge en warme omstandigheden. Daardoor kunnen ze beter overleven in het dorre klimaat van Bonaire dan bijvoorbeeld paarden. Toen hun economische functie afnam, werden veel dieren losgelaten of verwilderden ze vanzelf.
De ezels van Bonaire stammen waarschijnlijk af van Noord-Afrikaanse ezels, waaronder de Nubische ezel (Equus africanus africanus), een ondersoort van de Afrikaanse wilde ezel en een van de voorouders van de gedomesticeerde ezel (Equus africanus asinus).
Dat is te zien aan het typische zwarte kruis dat over hun rug en schouders loopt. Dit zogeheten schouderkruis is kenmerkend voor veel ezelrassen uit Noord-Afrika. Bij sommige donkergekleurde dieren ontbreekt dit patroon, wat erop wijst dat er ook genetische invloeden zijn van Spaanse ezels die door de kolonisten werden meegebracht.
Ecologische gevolgen
Net als de geiten hebben ezels een negatieve invloed op het kwetsbare landschap van Bonaire. Ze vreten jonge plantjes en zaailingen en schrapen met hun hoeven de bodem open. Daardoor krijgen jonge bomen weinig kans om te groeien. Stekelige planten zoals cactussen laten ze meestal met rust, waardoor deze soorten het landschap domineren, terwijl de oorspronkelijke boomrijke vegetatie steeds verder verdween.
Bovendien kunnen deze ezels besmet raken met nogal wat vervelende virussen die overgebracht worden door muskieten[1]. Daaronder Equine Influenza, veroorzaakt door twee subtypes van het Influenza A Virus: H7N7 and H3N8.
Bescherming en controverse
De Nederlandse overheid heeft aangegeven dat in 2030 alle wilde loslopende grazers (d.w.z. geiten en schapen, ezels, varkens, runderen) van Bonaire, Saba en Sint Eustatius verwijderd moeten zijn.
In de praktijk gebeurt dat door ezels te vangen, mannetjes te castreren en sommige dieren onder te brengen in opvangcentra of reservaten. Een bekend opvangcentrum is het Donkey Sanctuary Bonaire, waar honderden ezels verzorgd worden.
Nu zou je denken dat dit project alom zou worden gesteund, want alleen op deze manier kan de zo kwetsbare natuur van Bonaire weer de kans krijgen om zich te herstellen. Maar nee, uiteraard zijn er weer lieden die tegen het verwijderen van ezels zijn. Al Catalfumo, voorzitter van de Bonaire Donkey Protection League en professioneel zeurpiet, heeft zich fel uitgesproken tegen het huidige beleid rond de ezelpopulatie op Bonaire. Volgens hen komt het vangen en opsluiten van gezonde ezels neer op niets minder dan eliminatie en zal dit de levensvatbare populatie van Bonaire’s bijzondere historische Nubische ezels vernietigen. Zucht. Ik proef een spoortje eigenbelang.
[1] Falcão Câmara et al: Viral Diseases that Affect Donkeys and Mules in Animals – 2020. Zie hier.
Saba en de Roodsnavelkeerkringvogel
Uit onderzoek bleek dat vooral verwilderde huiskatten (Felis catus) en in iets mindere mate zwarte ratten (Rattus rattus) de grootste boosdoeners waren voor deze bedreiging.
Verwilderde katten vormen al vele jaren een probleem op Saba. Twee studies hebben meer inzicht gegeven in dit probleem. De eerste studie verzamelde basisgegevens over de verspreiding van katten en ratten op het eiland en onderzocht ook het dieet en de gezondheid van katten[1]. De tweede studie onderzocht de gegevens van cameravallen die erder op Saba en Sint Eustatius waren verzameld met als doel de impact van geiten, katten en ratten op het broedsucces van keerkringvogels te bepalen[2].
Zowel de dichtheid van kattenpoep als de opnames van cameravallen lieten behoorlijk grote verschillen verschillen zien in de kattendichtheid op het eiland. Interessant is dat uit de analyse van de cameravalgegevens blijkt dat de positieve relatie tussen geitenbezoek en kattenbezoek aan nestplaatsen op Saba erop wijst dat geiten mogelijk predatie door katten vergemakkelijken door de zichtbaarheid en toegankelijkheid van nesten te vergroten. De kattendichtheid was het grootst rond de vuilstortplaats op het eiland, waar voldoende voedselbronnen voor hen beschikbaar zijn.
De rattendichtheid, zoals gedocumenteerd met cameravallen, was het hoogst in het boshabitat waar fruitbomen bijzonder talrijk zijn. De dichtheid van ratten en katten was opvallend omgekeerd evenredig. Katten die op de vuilstortplaats werden gedood verkeerden over het algemeen in slechte gezondheid. Dit suggereert dat het vrijlaten van gecastreerde katten in het wild inhumaan is en dat gevangen verwilderde katten beter geëuthanaseerd kunnen worden.
De Sabaanse autoriteiten hebben al meer dan 15 jaar een rattenbestrijdingsprogramma, maar ratten vormen nog steeds een wijdverbreid en hardnekkig probleem op Saba. Dit suggereert dat de ratten mogelijk gedeeltelijk resistent zijn geworden tegen het belangrijkste gebruikte rodenticide en dat overstappen op een ander rodenticide de volgende logische stap is. Het afwisselend gebruiken van rodenticiden is de meest effectieve en internationaal aanbevolen methode voor rattenbestrijding. Dit wordt al toegepast op het nabijgelegen Sint-Eustatius, waar rattenproblemen veel minder acuut zijn dan op Saba, zo blijkt uit gegevens van cameravallen.
[1] Debrot et al: Predation threats to the Red-billed Tropicbird breeding colonies of Saba: focus on cats - Wageningen IMARES Report - 2014
[2] Chan: Interactions between invasive mammals and their effects on Red-billed Tropicbird (Phaethon aethereus) nesting productivity - MSc. Thesis - 2013
Sint Eustatius en de Cubaanse boomkikker
De succesvolle en snelle vestiging van deze soort na een invasie wordt toegeschreven aan hun hoge vruchtbaarheid, gekoppeld aan het feit dat ze omnivoren zijn, zich in iedere habitat thuisvoelen. Om hun huid te beschermen scheidt deze soort een slijmerig laagje af die bij sommige mensen de huid en ogen kunnen irriteren.
Cubaanse boomkikker op Sint Eustatius
In januari en februari 2025 ontdekten medewerkers van STENAPA (St. Eustatius National Parks Foundation) meerdere Cubaanse boomkikkers in een tuin naast een recent gebouwd resort. Verdere onderzoeken brachten zowel volwassen als jonge kikkers aan het licht, wat erop wijst dat de soort zich al lokaal voortplant[1].
Nadat STENAPA de vondst deelde op sociale media, meldde een eilandbewoner dat al in 2022 een eerste kikker was waargenomen in een lading sierpalmen die uit Florida was geïmporteerd. Met andere woorden: De Cubaanse boomkikker heeft zich gedurende meerdere seizoenen op Sint Eustatius voortgeplant. Daardoor is nu een gevestigde populatie Cubaanse boomkikkers in het resort ontstaan, die zich uitbreidt naar nabijgelegen tuinen.
De Cubaanse boomkikker kan tot 13 centimeter groot worden, plant zich snel voort en eet bijna elk dier dat in zijn bek past. Hoewel zijn dieet voornamelijk uit insecten bestaat, laat deze soort ook kleine hagedissen en zelfs vogels niet links liggen.
Door zijn vraatzucht heeft de komst van de Cubaanse boomkikker geleid tot een sterke achteruitgang van inheemse kikkers en hagedissen. Omdat Sint Eustatius rijk is aan behoorlijk wat bijzondere planten- en diersoorten, waaronder een van de laatste populaties van de ernstig bedreigde Antilliaanse leguaan (Iguana delicatissima), vormt de ontdekking van deze kikker een ernstig ecologisch risico voor het eiland.
Na de ontdekking is STENAPA, in samenwerking met het resort, gestart met lokale bestrijdingsmaatregelen, bestaande uit nachtelijke zoektochten om kikkers te vangen en het plaatsen van zogenaamde 'kikkerhotels' om kikkers te lokken. Daarnaast worden kunstmatige zoetwaterpoelen behandeld met milde citroenzuuroplossingen, zodat ze ongeschikt worden voor voortplanting. Omdat Sint Eustatius geen natuurlijke zoetwaterlichamen heeft, vormen deze kunstmatige poelen de belangrijkste broedplaatsen.
Cubaanse boomkikker en Ivermectine
U weet dat ivermectine in 'bepaalde kringen' werd aanbevolen voor de behandeling van een infectie met het coronavirus, al is het officieel een middel tegen parasieten (en dus niet tegen virussen). Wetenschappers hebben eens gekeken naar de langetermijneffecten van dat middel en besloten Cubaanse boomkikkers te behandelen met ivermectine[2]. Het bleek dat die Cubaanse boomkikkers als volwassen dieren kleiner waren dan hun onbehandelde soortgenoten.
[1] Thibaudier et al: Introduced population of the Cuban Treefrog, Osteopilus septentrionalis (Duméril & Bibron), on St. Eustatius, Caribbean Netherlands in Caribbean Herpetology – 2025. Zie hier.
[2] McMahon et al: Early-life exposure to Ivermectin alters long-term growth and disease susceptibility in PloS One - 2021
Bron (deels)
Klein Bonaire, Herbebossing en Muskieten
In het verleden was Klein Bonaire bedekt met bossen, maar door grootschalige houtkap voornamelijk voor verfhout, pokhout en houtskoolproductie liep het areaal al behoorlijk terug. Maar na de introductie van grazers, zoals geiten, werd het eiland vrijwel kaal gevreten. De geiten aten jonge boompjes op, waardoor de natuurlijke vegetatie ernstig werd aangetast en er geen humuslaag meer kon ontstaan, wat de bodem onvruchtbaar maakte. Tegelijkertijd stroomde de oude toplaag met regenwater in zee, wat het koraal verstikte.
Vanaf 1966 zijn de grazers eindelijk verwijderd, waardoor de natuur zich langzaam kon gaan herstellen. Daarna lag het eiland stil en verlaten, blinkend in het tropische zonlicht. Tegenwoordig is het onderdeel van het Nationaal Park Klein Bonaire, bekend om zijn prachtige stranden en rijke onderwaterleven, ideaal voor snorkelen en duiken.
Herbeplanting
Sinds 2006 is het Klein Bonaire Reforestation Project, geleid door pioniers als Elsmarie Beukenboom, actief in het herstellen van de oorspronkelijke vegetatie. Dit project richt zich op het planten van inheemse en zeldzame boomsoorten die beter bestand zijn tegen droogte en ziltige omstandigheden, zoals de Sabal Palm (Sabal lougheediana), buttonwood (Conocarpus erectus), kenepa (Melicoccus bijugatus) en wayaka (Guaiacum officinale). Vrijwilligers hebben sindsdien zo’n 10,000 bomen geplant, met een overlevingskans van 80% dankzij verbeterde technieken zoals speciale waterbakken en irrigatiesystemen. Deze waterbakken vangen condens op en worden handmatig gevuld met water uit een natuurlijke bron (pos di pia) op het eiland, wat cruciaal is voor de groei van jonge bomen in de droge, kalkrijke bodem. In 2013 werd bijvoorbeeld 2,500 m² grond beplant met 100 bomen, met hulp van het Nederlandse leger.
Vogels en andere dieren helpen bij de verspreiding van zaden, wat de biodiversiteit verder bevordert.
Uitdagingen
Ondanks de inspanningen blijft de bodem van Klein Bonaire voorlopig nog onvruchtbaar door het ontbreken van die humuslaag, wat het planten van bomen bemoeilijkt. Daarnaast speelt de constante wind een rol, waardoor jonge bomen moeten worden gesnoeid om scheefgroei te voorkomen. Wanneer de jonge bomen in het begin te veel bladeren hebben, vangen ze veel wind. Het gevolg hiervan is dat zij scheef groeien, zoals zoveel bomen op de Caraïbische eilanden.
Muskieten
Op een kaal en leeg eiland kunnen muskieten zich niet voortplanten omdat er geen stilstaand water is. Maar door de herbeplantingsacties zijn er waterbakken en irrigatiesystemen geplaatst. Dat vormen perfecte omstandigheden voor de muskiet, al kunnen de constante passaatwinden op Klein Bonaire het lastig maken voor muskieten om actief te zijn.
Klein Curaçao, Vuurtorens en Geiten
Klein Curaçao heeft een oppervlakte van slechts 1,7 vierkante kilometer (Ter vergelijking: Het Waddeneiland Griend is één vierkante kilometer groot) en wordt geteisterd door hete passaatwinden. Beide Curaçaos hebben namelijk een tropisch savanneklimaat. Van januari tot september is het er droog tot heel droog. Daarna is er de laatste drie maanden van het jaar een 'regenseizoen', waar maandelijks rond de honderd millimeter neerslag geregistreerd wordt. Het blijft er echter heet.
Klein Curaçao: Lang geleden
Onder de inheemse bevolking, de inmiddels uitgestorven Caquetíos, stond Klein Curaçao bekend als Adicoura, een naam die je op hele oude Spaanse zeekaarten nog wel eens tegenkomt.
Indianen bezochten het eiland in de prehistorische periode om er schildpadden en schelpdieren te zoeken en te consumeren. Schild- en schelphopen getuigen nog van hun vroegere aanwezigheid.
Klein Curaçao was ooit met veel gras en zelfs bomen begroeid en was een stuk heuvelachtiger dan tegenwoordig het geval is. Het leek qua uiterlijk meer op de nabijgelegen (nu) tot Venezuele behorende onbewoonde eilandjes en rotsen Isla de Aves, Roques en Orchilla. Al dat strooigoed werd lange tijd tot Nederlands bezit gerekend[1]. In 1895 werden al deze eilandjes door Venezuela definitief geannexeerd. Veel plezier heeft Venezuela niet aan Isla de Aves, want het erodeert langzaam, maar zeker weg in de vergetelheid[2][3].
Omdat het een beetje uit het zicht lag werd Klein Curaçao in de 17e en 18e eeuw door de West-Indische Compagnie gebruikt om uit Afrika afkomstige slaven wat te laten 'uitzieken' voordat ze geschikt werden geacht om 'op de markt te komen'. De restanten van hun schamele onderkomens zijn nog steeds op het eilandje te ontwaren.
Tijdens het Britse bestuur over Curaçao tussen 1807 en 1814 werden de bossen op het eiland gekapt voor brandhout. Wat overbleef was gras en dus werden er maar geiten op Klein Curaçao losgelaten om ze in alle rust te laten grazen.
Klein Curaçao: Leeg en Kaal
Diezelfde rust maakte het een toevluchtsoord voor zeevogels. De ingedroogde uitwerpselen van zeevogels noemt men guano en dat bevat zeer hoge concentraties aan meststoffen, waaronder stikstof, fosfor, calcium en kalium.
Van 1871 tot 1888 werd er ongeveer 90,000 ton fosfaat gewonnen op Klein Curaçao en verscheept naar Europa. Het eiland bleef kaal en een paar meter lager achter. De zeevogels keerden nog niet terug. De geiten bleven.
Het eiland bleek een vreemde aantrekkingskracht te hebben op zeeschepen en er strandden nogal wat op de onherbergzame kusten van Klein Curaçao. Een vuurtoren bleek noodzakelijk. Een eerste vuurbaken werd opgericht, maar werd binnen een paar jaar alweer verwoest door een orkaan. Een nieuwe vuurtoren werd in 1877 gebouwd en in 1914 tot 20 meter verhoogd. Door de introductie van radar leek het nut van de vuurtoren op Klein Curaçao te zijn verdwenen, maar door slecht zeemanschap kwamen er toch regelmatig schepen in de problemen. Daardoor werd maar besloten om de vuurtoren te voorzien van een licht op zonne-energie.
Klein Curaçao: Het einde van de geiten
In 1996 verwierf de overheid van de Nederlandse Antillen de begrazingsrechten op Klein Curaçao. Het eiland was door de geiten leeg en kaal gevreten en een van de eerste bestuursdaden was om de uitgemergelde geiten van Klein Curaçao te halen.
In 2000 begon het Caribbean Research & Management of Biodiversity (CARMABI) met een herbebossingsproject (of herbestruikingsproject) op Klein Curaçao. Een groot deel van de geïntroduceerde planten kon het echter niet bolwerken in de barre omstandigheden en stierven, nog voor de stekjes goed konden wortelen. Toch wisten honderden van de geplante bomen en struiken te overleven. Vooral de Mangel Blanku ofwel de witte mangrove (Conocarpus erectus) doet het goed op het Caraïbische eiland. Hiervan zijn verschillende exemplaren inmiddels al tot hoger dan vier meter opgegroeid, en zaailingen en jonge bomen zijn goed over het eiland verspreid.
Doordat de geiten van het eiland verwijderd zijn, hebben bodembedekkers eindelijk weer een kans gekregen om te groeien en bloeien. Dit zorgt voor uitgestrekte grasvelden, voornamelijk bedekt met de Korta-Man (Cyperus planifolius), een broertje van de papyrus (Cyperus papyrus). De uitbundigst groeiende struiksoort is de Tabako di Piskado ('visserstabak') ofwel de zeelavendel (Suriana maritima). Deze laatste groeit met name aan de kust, net als de lokaal bedreigde zeebes (Scaevola plumieri). Het blijkt dat veel de gereïntroduceerde soorten zich al redelijk zelfstandig over het eiland hebben weten te verspreiden.
Zo langzamerhand durven vogels ook weer op Klein Curaçao te landen, zo ontdekte ik. Amerikaanse dwergsternen (Sternula antillarum) broeden daar namelijk open en bloot op het strand, maar iedere menselijke activiteit kan de rust van deze vogels al verstoren. Doordat het eiland onbewoond is het een perfect leef- en broedgebied voor deze Amerikaanse dwergsternen.
In 2017 werd een begin gemaakt met de restauratie van de vuurtoren. De dikke laag uitwerpselen van de verwilderde geiten werd verwijderd, het pannendak werd hersteld en een nieuwe tussenvloer werd geplaatst. De tweede fase van de renovatie met het volledige herstel van de woningen en de vuurtoren stond gepland voor 2018, maar is tot op heden niet uitgevoerd. Het is het noodlot van het Caraïbische leven waar te vaak grote plannen worden gesmeed, doch zelden krachtdadig worden uitgevoerd.
Overigens zijn er op Klein Curaçao geen muskieten. Het is er simpelweg te droog. Muskieten hebben immers poeltjes met stilstaand water nodig om hun nageslacht in te deponeren.
[1] Teenstra: De Nederlandsche West-Indische Eilanden - 1836. Zie hier.
[2] Boudewijn Büch: Het ijspaleis - 1993.
[3] Boudewijn Büch: Verschrompelend paradijs in NRC Handelsblad - 23 april 1984. Zie hier.
Sint Eustatius, de Grote Kwartelduif en Geiten
Hoewel deze tropische droge bossen voorkomen in klimaten die het hele jaar door warm zijn en honderden centimeters regen per jaar kunnen ontvangen, hebben ze op de Bovenwindse eilanden te maken met lange droge seizoenen die enkele maanden duren. Er heerst namelijk een tropisch moessonklimaat, met een natte nazomer en herfst. De rest van het jaar valt er niet of nauwelijks neerslag. De loofbomen verliezen gewoonlijk hun blad gedurende de droge periode, omdat dit vocht spaart. Hierdoor wordt de bodem aan het zonlicht blootgesteld en er is dan ook meestal sprake van een rijke bodembegroeiing.
De belangrijkste stressfactoren voor dit bostype zijn rondzwervende dieren (geiten) en invasieve soorten (ratten). Om deze bedreigingen tegen te gaan, is er op Sint Eustatius een nieuw project opgestart dat zich richt op het monitoren (whatever that means) en beheersen van invasieve soorten.
Grote kwartelduif
De belangrijkste acties zijn, onder meer, het verwijderen van invasieve soorten en herbebossingsinspanningen, waarbij de nadruk ligt op endemische soorten als de agave (Agave sisalana) om de veerkracht van ecosystemen te vergroten. Herbebossing helpt niet alleen bij het beheersen van invasieve soorten, maar draagt ook bij aan het herstel van habitats, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor toekomstige projecten die de rondzwervende dieren aanpakken.
Een cruciale soort, de grote kwartelduif (Geotrygon mystacea) komt alleen voor op de bovenwindse en benedenwindse eilanden. De soort dient als indicator voor het succes van de bestrijding van invasieve soorten en het herstel van ecosystemen. Het project heeft tot doel essentiële gegevens over deze soort en de biodiversiteit van het eiland als geheel te verzamelen en zo de basis te leggen voor weloverwogen instandhoudingsstrategieën.
Het lijkt een ambitieus project, maar het belangrijkste doel is het wegvangen van alle loslopende, verwilderde geiten. Dit vreten rücksichtslos het hele eiland kaal met desastreuze gevolgen. De eilanders noemen het een soort traditie, maar het is natuurlijk meer een vorm van lamlendigheid om je huisdieren of vee niet binnen een afrastering te houden.
West-Indische boomvaren
Overigens: hoe klein het eiland ook is, op Sint Eustatius blijkt zich jarenlang een unieke plant verstopt te hebben. De (vooralsnog) slapende vulkaan The Quill op Sint Eustatius, hield 138 jaar lang een boomvaren verborgen. De West-Indische boomvaren (Cyathea arborea) werd in 1885 voor het eerst én voor het laatst op het eiland waargenomen. Maar bij onderzoek naar de flora op de loodrechte hellingen werden onderzoekers verrast door vijf van deze boomvarens, naast veel andere varens en orchideeën die hier buiten het bereik zijn van geiten en mensen.
De West-Indische boomvarens kunnen ruim tien meter hoog worden met tot twee meter lange bladeren. Hun stam is geen echte stam - varens vormen immers geen hout - maar bestaat uit een sterk en dicht pakket wortels.
Verwijderen van bloemen vermindert overlast muskieten
Maar als die planten in de buurt van menselijke bewoning staan, weet je wat er gebeurt: de vrouwelijke muskieten vinden mensen een stuk makkelijker, voeden zich met menselijk bloed en daardoor kunnen allerlei exotische infectieziekten van mug op mens worden overgedragen. Een probleem van de muskiet is echter dat deze niet kilometers kan vliegen voordat zijn energie verbruikt is.
Volgens een nieuwe studie kan het verwijderen van de bloemen dus een eenvoudige manier zijn om de overdracht van die infectieziekten te verminderen[1].
De studie concentreerde zich op het verwijderen van de bloemen van de invasieve mesquiteboom (Prosopis juliflora), die inheems is in Midden- en Zuid-Amerika, maar eind jaren '70 en begin jaren '80 van de vorige eeuw als exoot in Afrika werd geïntroduceerd in een poging om de ontbossing om te keren. De mesquiteboom is een robuuste plant die snel groeit en in veel delen van de wereld een van de ergste invasieve planten is geworden. De struik beslaat inmiddels miljoenen hectaren op het Afrikaanse continent, waaronder landen als Mali, Tsjaad, Niger, Ethiopië, Soedan en Kenia. De boom gedraagt zich als onkruid en dringt dus ook dorpen binnen, waardoor ook de muskieten steeds dichter bij de mens zullen komen.
Het verwijderen van de bloemen rond sommige dorpen in Mali verminderde de lokale muskietenpopulatie met bijna 60%.
Dr. Gunter Muller, hoofdauteur, verklaarde: "Muskieten halen het grootste deel van hun energiebehoefte uit plantensuikers uit de nectar van bloemen, dus we wilden het effect testen wat het verwijderen van de bloemen van de mesquiteboom, een invasieve boom, zou hebben op lokale muskietenpopulaties. Onze resultaten tonen aan dat het verwijderen inderdaad de totale muggenpopulatie vermindert en tevens het aantal volwassen vrouwtjesmuggen in de populatie vermindert. Daarvan is bekend dat ze malariaparasieten op mensen overbrengen. Dit suggereert dat het verwijderen van de bloemen een nieuwe manier zou kunnen zijn om gebieden met een inherent hoge transmissie van malaria te verschuiven naar gebieden met een lage transmissie, waardoor eliminatie beter haalbaar wordt."
Opmerking: Met het 'verwijderen van bloemen' bedoelden de onderzoekers natuurlijk 'het kappen van die invasieve boom'. Twee vliegen in één klap. Je bent die rotbomen kwijt en tegelijkertijd die rotmuskieten.
Opmerking: Muskieten en steekmuggen uiteraard precies dezelfde organismen.
[1] Muller et al: The invasive shrub Prosopis juliflora enhances the malaria parasite transmission capacity of Anopheles mosquitoes: a habitat manipulation experiment in Malaria Journal - 2017. Zie hier.
Guam, Slangen en Chilipepers
Deel 2 is hier te lezen.
Zoogdieren, waartoe uiteraard de mens ook behoort, ervaren het pittige effect van capsaïcine, de werkzame alkaloïde van de chilipeper. Die capsaïcine is speciaal aangemaakt om vraatschade aan de plant voor voorkomen. Die zoogdieren hebben een pijnreceptor, de zogenaamde TRPV1, in hun slijmvliezen die gevoelig is voor hogere temperaturen. De capsaïcine van chilipepers past precies op die receptor en daardoor 'voelt' het alsof we onze mond branden. Het is een illusie. De TRPV1 van vogels zit iets anders in elkaar en daardoor hebben vogels geen last van de pijnlijke gevolgen van capsaïcine. Dat heeft een voor de hand liggende reden: vogels zijn immers voor de chilipeperplant bijzonder nuttig omdat ze nodig zijn voor het verspreiden van de zaden.
Guam, een eilandje in de Stille Zuidzee dat behoort tot de grotere Marianen Eilanden is, onder meer, bekend door de donne' sali chilipeper, een belangrijk onderdeel van een veelheid aan locale gerechten. Maar als je tegenwoordig door de bossen van Guam wandelt valt je al snel iets op: het bos is muisstil. Geen vogel te bekennen.
Direct na de Tweede Wereldoorlog werden bruine boomslangen (Boiga irregularis) per ongeluk door het Amerikaanse leger geïntroduceerd op Guam. De slang kon zich ongehinderd vermenigvuldigen en verspreidde zich snel over het hele eiland. Vogels vormen de favoriete maaltijd voor die bruine boomslang. Intussen zijn er al 10 van de 12 inheemse vogelsoorten uitgestorven, terwijl de twee overblijvende soorten ernstig in hun voortbestaan bedreigd zijn[1].
Dat is tegelijkertijd de reden dat de inheemse wilde chilipeper ook nauwelijks meer te vinden is. Geen vogels die chilipepers eten en dus worden er geen zaadjes meer verspreid[2]. Simpel, zou je zeggen, dan ga je die chilipepers toch gewoon bedrijfsmatig verbouwen? Nee, want de donne' sali chilipeper laat zich niet zo gemakkelijk temmen en hij wordt bovendien een stuk minder pittig als je er toch in zou slagen hem te verbouwen.
De circa twee miljoen exotische bruine boomslangen, die Guam bevolken, worden nu eindelijk aangepakt. Er loopt een project om dode muizen gedrenkt in 80 milliliter paracetamol uit helikopters in bomen te gooien. Paracetamol is in kleine hoeveelheden al dodelijk giftig voor de bruine boomslang.
[1] Rodda, Savidge: Biology and Impacts of Pacific Island Invasive Species. 2. Boiga irregularis, the Brown Tree Snake (Reptilia: Colubridae) in Pacific Science - 2007
[2] Egerer et al: Seed dispersal as an ecosystem service: frugivore loss leads to decline of a socially valued plant, Capsicum frutescens in Ecological Applications - 2018
Kikkerbillenbijter
Zoals bekend zijn het alleen de vrouwelijke muskieten die bijten, want zij hebben de energie en bouwstoffen in het bloed nodig voor de ontwikkeling van de eitjes. Mannetjes halen hun energie uit nectar van bloemen. De kikkerbillenbijter heeft zich gespecialiseerd op kikkers, al zullen ze andere amfibieën niet links laten liggen als deze zich als maaltijd aandienen. Biologen houden nog een voorzichtige slag om de arm en melden dat deze soort muskiet zich slechts in zeer zeldzame gevallen laaft aan warmbloedige dieren.
De kikkerbillenbijter leeft uiteraard in dezelfde soort habitat als zijn leverancier van bloed. Om zijn larven succesvol te laten opgroeien tot volwassen muskieten heeft hij een voorkeur voor helder water in moerassen, poeltjes of sloten met voldoende gras of riet. Hij komt op het hele noordelijk halfrond voor in gematigde zones.
In de late herfst voeden bevruchte volwassen vrouwtjes zich met koolhydraten uit bloed en overwinteren ze in ondergrondse holtes, waar ze de winter in een soort diepe winterslaap doorbrengen. De muggen komen in het zeer vroege voorjaar weer tevoorschijn, zoeken een eerste bloedmaaltijd en leggen de eerste serie eitjes van het seizoen.
Slechts in enkele gevallen zal het vrouwtje haar eitjes rechtstreeks in het water deponeren. Deze muskietensoort deponeert haar eitjes op de oever en hoopt gemakzuchtig op voldoende regenval om die eitjes in het water te laten stromen.
De kikkerbillenbijter is slecht bestudeerd door de wetenschap en dat bleek niet zo'n goede zaak. Een recent onderzoek uit 2022 toonde aan dat er een behoorlijk aantal, veelal nog onbekende virussen in exemplaren van deze soort werd aangetroffen[1]. Verder lijkt hij een rol te spelen bij de overdacht van een bloedparasiet, Hepatozoon catesbianae[2]. Die komt vooral voor bij amfibieën en reptielen, maar staat veterinaire kringen beter bekend vanwege het veroorzaken van een door teken overgedragen ziekte genaamd hepatozoonose bij sommige zoogdieren. En ja, mensen zijn ook zoogdieren.
[1] Tangudu et al: Isolation of a novel rhabdovirus and detection of multiple novel viral sequences in Culex species mosquitoes in the United States in Archives of Virology – 2022
[2] Desser et al: The life history, ultrastructure, and experimental transmission of Hepatozoon catesbianae n. comb., an apicomplexan parasite of the bullfrog, Rana catesbeiana and the mosquito, Culex territans in Algonquin Park, Ontario in Journal of Parsitology - 1995
Invasieve ratten en geiten op Redonda (Antillen)
Men denkt dat de ratten (per ongeluk) en geiten (opzettelijk) op het eiland zijn geïntroduceerd door een onderneming die daar ooit guano delfde. Samen hebben de ratten en geiten het ooit zo beboste eiland getransformeerd in een soort maanlandschap. Niets groeit er meer.
Het eiland heeft zelfs zo weinig plantengroei meer dat de geiten verhongeren. Geitenskeletten liggen letterlijk overal op het eiland verspreid. Er zijn bovendien nog maar heel weinig bomen op het eiland om de grond te stabiliseren, zo zeggen natuurbeschermers. Daardoor brokkelen grond en rotsen af en komen in de zee terecht, waardoor koraalriffen worden bedreigd.
Tijd, zo dacht de regering van Antigua and Barbuda, om daar daadkrachtig wat aan te gaan doen. Men besloot alle geiten te laten vangen en over te plaatsen naar andere locaties, terwijl de ratten zouden worden vergiftigd met Klerat, een bitter, wasachtig lokaas dat ratten wel oppeuzelen, maar andere dieren niet. Het is een bloedverdunner, waardoor de ratten gaan lijden aan steeds erger wordende inwendige bloedingen, wat uiteindelijk leidt tot de dood.
Het plan was ambitieus: twee maanden om de 60 geiten te vangen en tot drie maanden om de ratten te vergiftigen. Het plan werd aan de wereld geopenbaard in augustus 2016. De geiten waren echter niet bepaald meewerkend, want het duurde zes maanden voordat alle sterk vermagerde geiten waren weggevoerd. De laatste rat stierf in juni 2017.
![]() |
| [Een jonkie van de gemaskerde Jan van Gent (Sula datylatra]) |
Sindsdien heeft Redonda een ware transformatie ondergaan. De unieke inheemse planten en dieren op deze geïsoleerde, onbewoonde buitenpost van Antigua and Barbuda hebben zich razendsnel weten te herstellen nadat ze waren bevrijd van een invasie van aliens.
Het toont maar weer eens nadrukkelijk aan dat exoten een rampzalige invloed kunnen hebben op een habitat. Vergeet niet dat Nederland ook kwetsbare eilanden heeft, waar het ook lastig (en kostbaar) kan zijn om exoten te verwijderen. Denk aan de Waddeneilanden en de eilanden in het Caraïbisch gebied.
Guam, Slangen en Muskieten
Deel 1 is hier te lezen.
Guam is een eiland in de Stille Oceaan. Het behoort tot de Verenigde Staten en was in de Tweede Wereldoorlog een uiterst strategisch gelegen plek. Dat vonden de Japanners ook en die vielen het eiland aan op 8 december 1941, hetzelfde moment als de beruchte aanval op Pearl Harbor.
Bijna 30 procent van het eiland heeft nog steeds een militair doel, terwijl een groot deel van de rest van het oppervlakte bedekt is met tropisch regenwoud. De bevolking bewoont de dorpen in de kustgebieden.
Tijdens de herovering van Guam bleken de Japanners zich niet zonder flinke tegenstand te willen overgeven. Alles bleef vernield achter. Na de bevrijding moesten er daardoor vanaf de vaste wal veel hulpgoederen worden aangevoerd. Het bleek echter dat er tussen die kratten met hulpgoederen wel eens een verstekeling verborgen zat. Eentje daarvan bleek de bruine boomslang (Boiga irregularis).
De bruine boomslang is inheems in de tropische delen van Australië, oostelijk Indonesië en Papua Nieuw-Guinea. Toen deze slang vanaf het vliegveld of de haven ontsnapte voelde hij zich direct thuis op Guam. Zeker is dat deze slangensoort op Guam tussen 1945 en 1952 op het eiland terecht is gekomen.
Jawel, de bruine boomslang is giftig, maar voor de mens is dat gif niet zo heel gevaarlijk. Slechts jonge kinderen lopen gevaar om in het ziekenhuis terecht te komen. Bovendien is de bruine boomslang een nachtelijke jager en wie vertoeft nu 's nachts in het tropisch regenwoud? De bruine boomslang jaagt vooral op vogels en dat is funest voor Guam gebleken. Niemand weet hoeveel bruine boomslangen zich verstoppen op Guam, maar het kunnen er intussen meer dan twee miljoen zijn. Wat men wel weet is dat er geen vogels meer op het eiland leven. Het oerwoud is vreemd stil. Geen vrolijk gekwetter van kleurrijke vogels. Niets.
Maar die afwezigheid van vogels heeft nog meer negatieve gevolgen. Geen vogels betekent dat sommige planten niet meer in staat zijn hun zaden te verspreiden[1]. Die vallen nu op de grond en blijven daar nutteloos liggen. Sommige vogels eten weer insecten en hielden zo de populatie muskieten onder controle. Zonder vogels konden die muskieten zich ongebreideld voortplanten en dat betekende direct dat ziekten als dengue een steeds groter probleem op Guam vormen.
Intussen worden de bruine boomslangen steeds brutaler, omdat ze zonder vogels op zoek moeten naar ander voedsel. En dus verlaten ze soms hun regenwoud om in de dorpen en steden naar prooien te zoeken.
Wat doet men aan die vervelende boomslangen? Dat blijkt een lastig probleem te zijn, maar onderzoekers hebben ontdekt dat de bruine boomslang niet tegen paracetamol kan[2]. Een piepkleine dosis blijkt al fataal te zijn. Sinds 2019 droppen helicopters duizenden dode muizen met een beetje paracetamol in zich verstopt. Het bleek redelijk effectief[3].
Er bleken minder slangen te zijn in het gebied, al bleek een jaartje later alweer dat de populatie zich hersteld had. Geen perfecte oplossing, maar wel een interessante.
"It's always mosquito season on Guam," waarschuwt het U.S. Naval Hospital Guam.
[1] Rogers et al: Effects of an invasive predator cascade to plants via mutualism disruption in Nature Communications - 2017. Zie hier.
[2] Clark et al: Efficacy, effort, and cost comparisons of trapping and acetaminophen-baiting for control of brown treesnakes on Guam in Human-Wildlife Interaction - 2012
[3] Siers et al: Invasive Snake Activity Before and After Automated Aerial Baiting in Wildlife Management - 2019. Zie hier.
Kokospalmen verwijderd van Palmyra Atoll
Maar het verdwijnen van ratten op Palmyra Atoll had nog een onbedoeld neveneffect: de ratten deden zich namelijk altijd te goed aan de van de kokospalmen gevallen kokosnoten. Zonder ratten groeiden kokospalmen ongebreideld op en dreigden het hele eiland te overwoekeren. Op dit atol is de kokospalm een exoot, want eigenlijk is dit het domein van het tropische regenwoud.
![]() |
| [Door ratten aangevreten kokosnoten] |
Al in 2016 groeiden er op dat kleine eiland naar schatting 29,000 volgroeide kokospalmen en twee miljoen zaailingen. Tijd voor (opnieuw) actie. Vrijwilligers gingen aan de slag en hebben intussen meer dan een miljoen zaailingen verwijderd (cijfers medio 2021). Tegelijkertijd plantte men vele inheemse zaailingen van de grand devil's-claws (Pisonia grandis). Wanneer die zijn opgegroeid zullen op de takken eindelijk weer fregatvogels kunnen uitrusten. Hun ontlasting zorgt voor de guano, die voedingsstoffen in de arme bodem van het atol brengt en dat zal, na te zijn uitgespoeld, via het plankton het kwetsbare koraal rondom Palmyra Atoll voeden.
![]() |
| [Onderzoekster Carol Wolf tussen de Pisonia] |
De menselijke invloed is overal en we hebben al zoveel unieke ecosystemen weten te vernielen. Eigenlijk is Palmyra Atoll een levend laboratorium, want de kennis die men hier opdoet kan men ook op andere beschadigde eilanden gebruiken. Bovendien toont het aan dat kokosnoten en in het verlengde daarvan kokosolie niet overal positieve effecten heeft.
Bonaire, Geiten en Muskieten
Nu kunnen we hier gaan zeuren over de gevolgen van de opwarming van de aarde, maar op veel van die eilanden kan die bedreiging worden aangewezen: loslopende en verwilderde geiten (Capra hircus).
Het is geen traditie, maar het is meer een luie gewoonte om je huisdieren maar wat over de eilanden te laten zwerven. Het is een soort lamlendigheid die tot gevolg heeft dat overal alles door die geiten wordt kaalgevreten, zelfs tot de aangewezen natuurgebieden toe.
We nemen als voorbeeld het pittoreske eiland Bonaire, dat minder dan 20,000 vaste bewoners rijk is, maar waar naar schatting zo'n 35,000 geiten rondlopen. Alles eten ze. Ieder plukje groen dat ze kunnen bereiken wordt opgevreten door de geiten. Unieke palmen, zoals de zeldzame Bonairepalm (Sabal lougheediana) kunnen niet meer tot wasdom komen en dreigen uit te sterven. Dit leidt tot bodemerosie en vervolgens afspoeling naar zee, samen met grote hoeveelheden nitraatrijke uitwerpselen. Het kwetsbare koraal overleeft zo'n aanslag op de lange duur niet.
Daar moet iets aan gedaan worden, zo mompelen de plaatselijke regeringsleiders al jaren. Maar ze deden niets. De Bonairepalm is zo ernstig bedreigd dat zich op Bonaire slechts een zeer kleine populatie bevindt van 24 volgroeide palmen (2021), ten westen van Lac Baai in de omgeving van Lima. Twaalf palmen op het terrein van Cargill werden tussen juni en oktober 2021 met een hek afgeschermd tegen loslopende geiten. In oktober 2021 werden op initiatief van STINAPA Bonaire 330 zaailingen van de Bonairepalm aangeplant op het geitloze Klein Bonaire.
Nederland moest dus wel ingrijpen. In 2020 werd €16 miljoen uitgetrokken voor natuurherstel op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Daarvan is €9 miljoen een structurele bijdrage voor natuurherstel, de overige zeven miljoen is een eenmalige bijdrage voor het herstel van het koraal. In het plan staat dat in 2030 ‘alle wilde grazers’ (geiten, ezels, varkens) op de eilanden moeten zijn geslacht of bij boeren achter hekken zijn opgesloten. In 2024 moesten veehouders hun gebied al hebben omheind. Daarna kwamen de jagers om de nog loslopende geiten af te schieten.
Maar volgens mij is het iedereen ontgaan dat die loslopende grazers ook een perfect doelwit vormen voor op bloed beluste muskieten. Die muskieten zijn besmet met allerlei vervelende ziekmakende virussen, waaronder dengue (knokkelkoorts) en het Zika Virus[1]. Het definitief verwijderen van geiten zal daarom direct ook zorgen voor minder overlast van muskieten en minder muskieten betekent ook minder menselijke besmettingen.
[1] Rengina Vorou: Zika virus, vectors, reservoirs, amplifying hosts, and their potential to spread worldwide: what we know and what we should investigate urgently in International Journal of Infectious Diseases – 2016




































