Bonaire heeft een bewogen geschiedenis. Slechts enkele jaren na de eerste reis van Cristoforo Colombo (zijn officiële Italiaanse naam) landden in 1499 de eerste Spanjaarden op het eiland. Zij namen het in bezit voor Spanje. Aanvankelijk noemden ze het eiland Isla de Palo Brasil, omdat het dicht bebost bleek met de brazielboom (Paubrasilia echinata).
Spaanse periode
In de koloniale tijd werd het hout van deze boom gebruikt om een rode tot roze kleurstof te produceren voor de textielindustrie. De vraag naar deze kleurstof was zo groot dat de bomen op grote schaal werden gekapt. Het gevolg laat zich raden: tegenwoordig staan er naar schatting nog maar ongeveer honderd exemplaren op Bonaire.
De Spanjaarden waren niet onder de indruk van het eiland. Er werd geen goud of edelstenen gevonden en het droge klimaat maakte landbouw lastig. Daarom hadden zij weinig zin om er een kolonie te stichten. In 1513 bestempelden zij Bonaire, samen met Aruba en Curaçao, als islas inútiles — 'nutteloze eilanden'.
De oorspronkelijke bewoners van het eiland, de Caquetío-indianen, werden grotendeels door de Spanjaarden weggevoerd naar het eiland Hispaniola om daar in de mijnen te werken. Pas vanaf 1526 keerde inheemse bewoners weer terug naar de eilanden, onder andere om te helpen bij de exploitatie en export van hout.
Spaanse schepen brachten vaak meer ratten en muizen dan mensen mee, waardoor het eiland al snel nieuwe zoogdieren kreeg. De Spanjaarden introduceerden ook voor het eerst vee op Bonaire. Daardoor leven tegenwoordig ezels (buriku in het Papiaments) en geiten (kabritu) in het wild op het eiland.
Vanaf 1527 gebruikten de Spanjaarden Bonaire als een soort voorraadkamer. Schapen, ezels, geiten, varkens, koeien, paarden, kippen en kalkoenen werden naar het eiland gebracht. Veel van deze dieren werden simpelweg losgelaten zodat ze zich in het wild konden voortplanten. Hoewel de Spanjaarden het eiland uiteindelijk verlieten, bleven veel van deze geïntroduceerde dieren bestaan en maakten ze blijvend deel uit van het ecosysteem.
Nederlandse periode
In 1636 veroverden de Nederlanders Bonaire. Het eiland kwam onder bestuur van de West-Indische Compagnie. Afrikaanse slaven werden naar het eiland gebracht en ingezet voor onder andere houtkap, maïsteelt en vooral de zoutwinning, die uiteindelijk een van de belangrijkste economische activiteiten van Bonaire werd.
De ezels van Bonaire
Naast verwilderde geiten leven er op Bonaire ook grote aantallen verwilderde ezels. Oorspronkelijk werden deze dieren gebruikt als lastdieren. Ze transporteerden onder meer zout, hout en andere goederen over het eiland.
Ezels zijn van nature goed aangepast aan droge en warme omstandigheden. Daardoor kunnen ze beter overleven in het dorre klimaat van Bonaire dan bijvoorbeeld paarden. Toen hun economische functie afnam, werden veel dieren losgelaten of verwilderden ze vanzelf.
De ezels van Bonaire stammen waarschijnlijk af van Noord-Afrikaanse ezels, waaronder de Nubische ezel (Equus africanus africanus), een ondersoort van de Afrikaanse wilde ezel en een van de voorouders van de gedomesticeerde ezel (Equus africanus asinus).
Dat is te zien aan het typische zwarte kruis dat over hun rug en schouders loopt. Dit zogeheten schouderkruis is kenmerkend voor veel ezelrassen uit Noord-Afrika. Bij sommige donkergekleurde dieren ontbreekt dit patroon, wat erop wijst dat er ook genetische invloeden zijn van Spaanse ezels die door de kolonisten werden meegebracht.
Ecologische gevolgen
Net als de geiten hebben ezels een negatieve invloed op het kwetsbare landschap van Bonaire. Ze vreten jonge plantjes en zaailingen en schrapen met hun hoeven de bodem open. Daardoor krijgen jonge bomen weinig kans om te groeien. Stekelige planten zoals cactussen laten ze meestal met rust, waardoor deze soorten het landschap domineren, terwijl de oorspronkelijke boomrijke vegetatie steeds verder verdween.
Bovendien kunnen deze ezels besmet raken met nogal wat vervelende virussen die overgebracht worden door muskieten[1]. Daaronder Equine Influenza, veroorzaakt door twee subtypes van het Influenza A Virus: H7N7 and H3N8.
Bescherming en controverse
De Nederlandse overheid heeft aangegeven dat in 2030 alle wilde loslopende grazers (d.w.z. geiten en schapen, ezels, varkens, runderen) van Bonaire, Saba en Sint Eustatius verwijderd moeten zijn.
In de praktijk gebeurt dat door ezels te vangen, mannetjes te castreren en sommige dieren onder te brengen in opvangcentra of reservaten. Een bekend opvangcentrum is het Donkey Sanctuary Bonaire, waar honderden ezels verzorgd worden.
Nu zou je denken dat dit project alom zou worden gesteund, want alleen op deze manier kan de zo kwetsbare natuur van Bonaire weer de kans krijgen om zich te herstellen. Maar nee, uiteraard zijn er weer lieden die tegen het verwijderen van ezels zijn. Al Catalfumo, voorzitter van de Bonaire Donkey Protection League, heeft zich fel uitgesproken tegen het huidige beleid rond de ezelpopulatie op Bonaire. Volgens hen komt het vangen en opsluiten van gezonde ezels neer op niets minder dan eliminatie en zal dit de levensvatbare populatie van Bonaire’s bijzondere historische Nubische ezels vernietigen. Zucht. Ik proef een spoortje eigenbelang.
[1] Falcão Câmara et al: Viral Diseases that Affect Donkeys and Mules in Animals – 2020. Zie hier.

