Zoals overal in het Caribisch gebied draaide die landbouw volledig op de arbeid van slaven. Zij werkten op tientallen plantages, vaak onder mensonterende omstandigheden. Het eiland was wellicht klein, maar de plantage‑economie was verrassend groot.
In de achttiende eeuw transformerde Sint Eustatius tot een soort Caribische marktplaats waar werkelijk alles voorbijkwam. Schepen uit Europa, Noord‑Amerika en de rest van de regio deden het eiland aan alsof het een drijvende supermarkt was.
Katoen maakte deel uit van die stroom goederen. Niet alleen wat er lokaal werd verbouwd, maar ook balen uit omliggende eilanden. De vrijhavenstatus zorgde ervoor dat handelaren nauwelijks werden gehinderd door regels (en belastingen). Het moet een paradijs zijn geweest voor iedereen die graag veel geld verdiende zonder al te veel vragen te stellen.
![]() |
| [Lower Town: Ruïne van een magazijn aan zee] |
Terwijl op Sint Eustatius katoen werd geplukt onder de brandende Caribische zon, gebeurde er in Nederland iets dat op het eerste gezicht niets met het eiland te maken lijkt te hebben: Twente werd rijk. Heel rijk.
De textielfamilies in Enschede, Hengelo en Almelo bouwden villa’s die eruitzien alsof ze rechtstreeks uit een Engelse kostuumdrama, zoals 'Downton Abbey', zijn weggeknipt. Ze legden stadsparken aan, financierden kerken en zelfs de Enschedese synagoge. En dat geld kwam niet uit de lucht vallen.
Volgens onderzoek van Griselda Molemans, dreef de Twentse textielindustrie structureel op goedkope koloniale katoen[1][2]. Niet een beetje, maar fundamenteel. De katoen, die in fabrieken in Enschede werd verwerkt, was in veel gevallen dezelfde katoen als die in het Caribisch gebied onder dwang werd geoogst.
De katoenproductie op Sint Eustatius maakte deel uit van een Atlantisch systeem waarin Europese vraag, koloniale expansie en slavernij elkaar versterkten. Slaven produceerden de grondstoffen, Europese handelaren verscheepten ze, fabrieken in Nederland verwerkten ze tot textiel en dat werd weer geëxporteerd naar Nederlands-Indië (Het Nederlandse marktaandeel bedroeg bijna de helft van de totale import)[3].
In de negentiende eeuw begon het systeem te piepen en te kraken. De Amerikaanse Burgeroorlog gooide de katoenhandel overhoop, andere koloniale gebieden produceerden goedkoper, en in 1863 werd de slavernij afgeschaft.
![]() |
| [Geit op wacht bij Fort Oranje (Sint Eustatius)] |
Sint Eustatius verloor daardoor zijn economische betekenis. Plantages raakten in verval, handelaren vertrokken, en het eiland werd weer wat het geografisch altijd al was: klein, rustig en een tikje vergeten.
De kapitale villa’s in Twente staan er nog steeds, keurig onderhouden. De geschiedenis achter de grondstoffen die ze mogelijk maakten, wordt pas de laatste jaren echt zichtbaar, mede dankzij onderzoek zoals dat van Griselda Molemans.
Het verhaal van katoen op Sint Eustatius is dus geen voetnoot, maar een hoofdstuk in een veel groter boek. Een boek dat vermoedelijk door Molemans op dit moment geschreven wordt.
[1] Molemans: Landgoederen, fabrikantenvilla’s, stadsparken, de Enschedese synagoge en het Twentse slavernijverleden in 1Twente. Zie hier.
[2] Molemans: Onderzoek Griselda Molemans: "Twentse textielfamilies waren verwikkeld met slavernij op katoenplantages" in OostNL. Zie hier.
[3] Van Valen: Textielconflict in Nederlands-Indië in Skript Historisch Tijdschrift - 2019. Zie hier.


